Categorieën
literatuur

Zeno van Svevo

Bekentenissen van Zeno (1923) is de meest bekende roman van de Italiaanse auteur Italo Svevo (1861-1928). Een klassiek werk dat we niet gekend zouden hebben als hij en James Joyce elkaar niet hadden ontmoet in Triest in 1907. De bekende Ierse auteur prees het werk van Svevo, dat tot dusver niet goed was ontvangen (Bekentenissen van Zeno is zijn derde roman). Op zijn beurt lijkt Italo Svevo (pseudoniem van zakenman Ettore Schmitz, van joodse komaf, Duitse vader, Italiaanse moeder) model te hebben gestaan voor Leopold Bloom, de hoofdpersoon uit Ulysses. La Coscienza dit Zeno is in 1923 in eigen beheer door Svevo uitgegeven. Het is een vermakelijke pschologische roman over de over zichzelf vertellende Zeno Cosini. De figuur van Cosini lijkt te zijn gestoeld op Ettore Schmitz zelf. Zo was hij net als Zeno een verstokte roker. In 1928 komt Schmitz ten gevolge van een auto-ongeluk in het ziekenhuis terecht. Volgens de overlevering heeft hij in het ziekenhuis gesmeekt om een sigaret, waarvan hij zwoor dat het zijn laatste zou zijn. Hij overleefde het ongeval niet, en de sigaret werd hem geweigerd. Hoofstuk 1 van Bekentenissen van Zeno is geheel gewijd aan Zeno’s rookverslaving, zijn geworstel ermee en zijn (lachwekkende) pogingen ervan af te komen. Met een fijne ironische stem beschreven, zoals ook de andere hoofdstukken.

Het boek bestaat uit 6 hoofdstukken, voorafgegaan door het Voorwoord (de stem van de psychiater die de aantekeningen uit wraak publiceert) en de Inleiding (de verantwoording van Zeno over het schrijven van zijn memoires, in opdracht van zijn psychiater). Dit verhaal speelt in de tijd van psychiater Sigmund Freud.

  1. Het roken
  2. De dood van mijn vader
  3. Hoe mijn huwelijk totstandkwam
  4. De echtgenote en de maitresse
  5. Een compagnonschap
  6. Psychoanalyse

In Nederland verscheen de roman voor het eerst in 1964 en op mijn leestafel pas vorige maand, januari 2021. Een krappe eeuw later dus. Zo zie je maar weer: literatuur blijft leesbaar: in een op alle fronten veranderde wereld blijven de literaire thema’s en de karakterontwikkeling van personages overeind. Die zijn van alle tijden.

De inleiding wordt vooraf gegaan door het voorwoord van de psychiater van Zeno, Dokter S.

Ik moet mij verontschuldigen voor het feit dat ik mijn patiënt heb overgehaald zijn autobiografie te schrijven: zij die zich met psychoanalyse bezighouden zullen hun neus ophalen voor zo’n nieuwigheid. (….) En ik geloof nog steeds dat dit een goed idee van me was, aangezien het me onverwachte resultaten heeft opgeleverd, die nog beter zouden zijn geweest als de patiënt zich niet op het kritieke moment aan de behandeling had onttrokken en mij zodoende van de vruchten van mijn minitieuze en geduldige analyse van deze herinneringen had beroofd.

De psychiater is niet de enige die wordt beetgenomen in deze roman. Zeno is een charlatan, een leugenaar, een acteur, een hypochonder en een charmeur. Maar hij is vriendelijk, vaak onschuldig en meestal zonder kwade bedoelingen! Zijn (wan)daden, gedachten en plannen worden ons door hemzelf verteld. Het ontbreekt Zeno aan zelfreflectie maar niet aan begrip voor hemzelf, en ook de lezer zal mild over hem oordelen. Juist omdat hij zo enorm probeert het goede te doen. Maar hij heeft geen sterk karakter. Nog maar even over dat stoppen met roken:

Ik dacht: ‘Omdat het slecht voor me is zal ik nooit meer roken, maar eerst wil ik het nog een keer voor het laatst doen.’ Ik stak een sigaret op en voelde me op slag bevrijd van mijn onrust(…)

Op het laatst was elke dag van mijn bestaan gevuld met sigaretten en met voornemens om niet meer te roken en, om maar meteen alles te bekennen, af en toe is het nu nog zo. De rondedans van laatste sigaretten, die op mijn twintigste jaar is begonnen, is nog steeds aan de gang. (…) Ik kan zelfs zeggen dat ik sinds enige tijd talloze sigaretten rook … die niet de laatste zijn.

Al aan het begin van dit hoofdstuk is duidelijk dat het de arme Zeno niet zal lukken te stoppen met roken.

Zijn verhalen zijn eerlijk, worden geschetst vanuit zijn eigen perspectief (zo is het gegaan!) en eerder onnozel dan kritisch beschouwd. Zeno geeft overal een draai aan om zichzelf in een gunstig daglicht te kunnen zien, maar hij ontroert ook. Als zijn vader ziek wordt huilt Zeno om hem, maar ook om zichzelf. Hij heeft spijt van handelen en woorden tegenover zijn vader, hij voelt schuld. Zeno is een mens van vlees en bloed, met bravoure, maar kwetsbaar. Hij zet zichzelf altijd op de eerste plaats, zijn eigen verdriet of pijn is het grootst. Hij kan niet met emoties omgaan, kent geen empathie en is in feite een grote slappeling. Maar zijn worstelingen maken hem aandoenlijk en sympathiek. Het leven, het is een hele toer voor Zeno. En het wordt er niet makkelijker op als hij de liefde zoekt….

De door hem bewonderde zakenman Giovanni Malfenti blijkt vier huwbare dochters te hebben. Ada, Augusta, Alberta en Anna. Zelfingenomen als Zeno is, is hij ervan overtuigd dat hij een goede partij voor de dames is en dat ze hem maar wat graag als echtgenoot zouden moeten willen. Maar is dat zo?

Ik had maar een doel: gezondheid te vinden in een eerbaar bestaan. Weliswaar was die beginletter A op vier meisjes van toepassing, maar drie van haar zouden al direct afvallen, en wat die vierde betreft, ook die zou een streng examen ondergaan. Ik zou lang niet mals zijn in mijn oordeel. Maar intussen wist ik niet eens te zeggen welke eigenschappen ik dan wel van haar eiste en welke ik bij voorbaat afkeurde.

Ze mogen hun handjes dichtknijpen met hem, aldus Zeno in het begin. Maar ook dit gaat weer niet zoals hij het wil en had bedacht. Hij wordt op slag verliefd op juist die ene dochter die helemaal niets in hem ziet. De lezer heeft dat eerder door dan Zeno zelf, die haar tegen de klippen op het hof probeert te maken. Zijn ijdelheid zorgt ervoor dat hij niet helder kan zien dat zijn gevoelens niet worden gedeeld door A. Zielig voor Zeno. Met zichzelf heeft hij vaak medelijden, maar over een ander heeft hij zijn oordeel snel klaar, vaak onbarmhartig en hard maar ontzettend grappig.

Ziezo, van de vier meisjes met dezelfde voorletter was er voor mij al een uitgeschakeld. Hoe had iemand haar in vredesnaam mooi kunnen noemen? Het eerste wat bij haar opviel was haar scheelheid, zo sterk dat als men aan haar dacht na haar een tijdlang niet te hebben gezien, deze afwijking haar hele persoonlijkheid scheen uit te maken. Verder had ze vrij dun haar, blond, maar van een grauwe, glansloze kleur, en haar figuur was niet slecht maar een beetje plomp voor haar leeftijd (..) ‘Als de andere drie op deze lijken!….’

Arme Augusta. Het laat zich misschien al raden met wie van de vier dames onze held zijn leven gaat delen.

De oorspronkelijke titel van dit werk is La Coscienza di Zeno (conscience, bewustzijn, geweten). Waarom dit niet overeind is gebleven in de vertaling van de titel in het Nederlands is mij een raadsel. Want dat woord omvat in mijn ogen nou juist en precies alles wat het boek inhoudt.

Categorieën
literatuur

Terug naar Johannes

De Kleine Johannes… Ik veronderstel alle literatuurbelangstellenden bekend met deze titel, alleen de naam zal al voldoende zijn. Als student Nederlands moest me er destijds doorheen worstelen. De Kleine Johannes las ik als een sprookje. Maar dit bekende werk van Frederik van Eeden (1860-1932) is meer dan dat. Bijna veertig jaar na de eerste keer herlas ik het onlangs, met andere ogen.

Het verhaal van De Kleine Johannes (1884) beschouwt de mensheid, het leven en de dood. De mens in relatie tot de ander en tot de natuur. De aarde, de sterren, het heelal. Het verhaal is heel spiritueel. De personages uit De Kleine Johannes hebben elk een boodschap te verkondigen. Een simpele maar allesomvattende boodschap over goed zijn voor de ander, leven met respect en vanuit liefde. Op de illustratie op de omslag van mijn oude, beduimelde exemplaar ziet De Kleine Johannes er gepijnigd en zorgelijk uit. Zoals gezegd: allesbehalve een sprookje, zijn avontuur.

Frederik van Eeden was schrijver en dichter maar ook arts, psychiater zelfs. Daarnaast was hij spiritist en fervent wereldverbeteraar. In De Kleine Johannes wordt de mensheid een spiegel voorgehouden. Is de mens goed- of kwaadaardig? Waarom wordt zo onzorgvuldig omgesprongen met de natuur? Wat is het leven eigenlijk, en wat betekent de dood daarin? In De Kleine Johannes gaat de lezer op stap met allerhande zonderlinge figuren. Allereerst verschijnt het elfje Windekind ten tonele. Hij praat met dieren, planten en insecten en Johannes luistert naar de gesprekken. Ook al is de tekst meer dan een eeuw uit, de dialogen zijn vermakelijk en de spiegel die de lezer wordt voorgehouden toont (helaas) een vrijwel onveranderd beeld van het gedrag van de mens. Het is zelfs hier en daar een beetje genant, want zijn wij niet allemaal als mens zo, dat we vaak wijzen naar een ander, en onszelf altijd gelijk geven? ‘Zij’ zijn fout, wijzelf hebben het bij het rechte eind.

De oude mier vertelde, dat men in grote drukte leefde wegens de veldtocht, die eerstdaags ophanden was. Men zou een andere mierenkolonie, niet ver verwijderd, met een grote macht gaan overvallen, het nest vernielen en de larven roven of doden, daarvoor zouden alle krachten nodig zijn en men moest dus eerst het dringendste werk afdoen. ‘Waarom is die veldtocht,’ zeide Johannes, ‘dat lijkt mij niet mooi.’ ‘Neen! neen!’ zeide de luizenhoeder, ‘het is een zeer schone en lofwaardige tocht. Ge moet denken, het zijn Strijdmieren, die wij gaan aanvallen, wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een zeer goed werk.’ ‘Zijt gij dan geen Strijdmieren?’ ‘Zeker niet! Wat denkt ge wel? Wij zijn Vredemieren.’ ‘Wat betekent dat dan?’ ‘Weet ge dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren voortdurend aan ’t vechten, geen dag ging er om zonder grote slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het veel moeite zou besparen, als de mieren onderling afspraken niet meer te vechten.’ (….) ‘Toen noemden zij zich Vredemieren en hielden allen vol dat de eerste Vredemier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vredemieren geworden, en de stukje van de eerste Vredemier worden met zorg en eerbied bewaard. Wij hebben de kop. De echte. (….) Zij noemen zich Vredemieren, maar het zijn natuurlijk Strijdmieren, want wij hebben de echte kop en de Vredemier had maar een kop. Nu gaan wij eerstdaags de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel goed werk.’

De zon is de vader van Windekind, de maan zijn moeder. Dieren, planten maar ook dingen, wedijveren met elkaar, zijn jaloers, slecht gehumeurd, verdrietig, noem maar op: alle menselijke eigenschappen worden aan hen toegekend.

De paddestoelen hadden het druk onder elkaar. ‘Zie mij eens!’ zeide een dikke duivelszwam. ‘Hebt ge ooit zo iets gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben de grootste van allen. En dat in één nacht!’ ‘Ba!’ zeide de rode vliegenzwam, ‘gij zijt zeer lomp. Zo bruin en grof. Ik wiegel op mijn slanke steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schoner dan allen.’ ‘Stil!’ zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: ‘gij zijt beiden giftig.’ ‘Dat is een deugd,’ zei de vliegenzwam.

Als Johannes in de ban raakt van de akelige praatjesmaker Wistik, een kabouter, laat Windekind hem achter. Johannes is gefascineerd door het boekje met de waarheid waar Wistik over praat. Johannes wil zo graag alles snappen, er zijn zoveel vragen. Hij wordt een tijdje opgenomen in een klein gezin en verliefd op Robinetta. Het ware boekje is in dit gezin de Bijbel. Maar daar trapt Johannes niet in, wat daarin staat zijn niet de antwoorden op zijn vragen, dat weet hij al. Dan komt Pluizer erbij. Een akelig wezen, die zeer goed bevriend is met ene Hein (die mager is). Over de dood leert hij Johannes, onder andere door het angstaanjagend beschreven neerdalen in de graven waarin in allerlei stadia van ontbinding verkerende lijken. Zijn eigen gestorven lichaam is het laatste dat Johannes ziet. Hein, de Dood, zelf is zachtaardig, geduldig en vriendelijk.

Deze (de Dood) rees plotseling op. ‘Ik moet heen, ‘ zeide hij, ‘ik verpraat mijn tijd. Er is hier veel te doen. Goedendag, Johannes! Wij zullen elkander nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.’ ‘Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij liever mee!’ Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend. ‘Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.’

Het eerste deel van De Kleine Johannes eindigt met de ontmoeting met de Ongenoemde, de Christusfiguur, die geen Jezus wil worden genoemd.

Het was een mens, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker. Zo diep als de ogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos zachte weemoed, zoals Johannes die nimmer in andere ogen gezien had. ‘Wie zijt gij?’ vroeg Johannes. ‘Zijt gij een mens?’ ‘Ik ben meer!’ zeide hij. ‘Zijt gij Jezus, zijt gij God?’ vroeg Johannes. ‘Noem die namen niet,’ zeide de gestalte. (..) Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kenne wil, werpe de namen weg en luister naar zichzelve.

Alle antwoorden vindt de mens in het eigen hart. Zo is de boodschap overgekomen. Het eerste deel eindigt met de belofte meer over Johannes te zullen gaan horen, ‘doch op een sprookje zal het dan niet meer gelijken.’

In het tweede deel gaat Johannes op weg naar verzoening met de mensheid, dat hij in het derde deel, samen met Marjon, bereikt. Maar het gaat niet zomaar en in beide delen krijgt Johannes, en de lezer, opnieuw vele wijsheden ingeprent. Door Wistik komt hij in contact met Pan. Johannes ontdekt dat er een tijd was waarin de mens in harmonie leefde met de natuur, in het rijk Pan. Dat is voorgoed voorbij, maar het is ooit een vreedzame status geweest. En als het ooit heeft gekund, is het dan niet vanzelfsprekend dat het ooit weer zou moeten kunnen?

‘Hierheen! Mee naar boven!’ fluisterde Wistik. ‘Ik heb wat gevonden, daar zult ge van opkijken. Geef me maar een hand, het gaat best. Gij kunt uw lijf wel zolang hier laten liggen.’ ‘Dat zou wat moois zijn!’ zei Johannes. Maar het ging best. Hij stak zijn hand uit en zat in een wip bij Wistik op de beddekwast. En toen hij naar beneden keek, waarlijk! daar zag hij zijn lijf heel rustig liggen slapen.

Een droom. Een illusie. Een wens. Een avontuur. Alles omvat in een rijke taal en schitterende dialogen en in vele uitgaven ook nog eens fantastisch geïllustreerd.

Categorieën
literatuur

Wreedheid met humor

Chinese literatuur is een aparte afdeling voor de Literatuurder. Afgrijzen gaat hand in hand met hardop lachen. Voor mij was dat nieuw. Eerst dat lachen maar: alleen al de namen van de personages zijn memorabel, hier en daar dolkomisch, in ieder geval altijd tekenend en overtuigend, hard en treffend. Kaalkop Li, Tong de Smid, Zhang de Kleermaker, Yu de Tandentrekker, vader en zoon Guan de Schaar, IJslolly Wang, Triomf Zhao en Succes Liu, Dichter Zhao en Schrijver Li. Dat zijn wat willekeurige namen, dorpsgenoten die steevast genoemd worden naar het beroep dat ze uitoefenen of naar in het oog lopende of bij intimi bekend veronderstelde kenmerken, vaak uiterlijkheden. Deze namen komen uit het heerlijk omvangrijke Broers (bijna 900 p) van de Chinese auteur Yu Hua (1960). Door mij in eerste instantie gekocht zonder enige voorkennis, na een blik op de omslag. Geniet maar even mee:

Yu Hua wordt vergeleken met grote namen als James Joyce, Gunter Grass en Nadine Gordimer. Mag van mij, maar ik vind Chinese literatuur wel een aparte categorie.

Een vergelijkbaar interessant omslag heeft Kikkers, van Nobelprijswinnaar Mo Yan. Ook absurd. Ook wreed. Ook humor. Maar hij raakt me meer in mijn hart, of zoals Amy Tan op de omslag van Het rode Korenveld verwoordt: ‘Mo-Yan bereikt het hart van de lezer.’ Ze vergelijkt hem met Kundera en Marquez, maar ik heb niets met Kundera en ben dol op Marquez, dus tja… Waarom zou Mo Yan (of Yu Hua) uberhaupt met grote namen uit de wereldliteratuur moeten worden vergeleken. Erkenning komt hem toe, juist vanwege de originaliteit en het vermogen om grote gebeurtenissen uit de geschiedenis te verbinden aan persoonlijke levens. Levens van mensen die je leert kennen in zijn romans, in hun diepste dalen ook. En daarvan zijn er in hun arme, moeilijke levens veel.

Ook hier weer, naast de ‘gewone’ Chinese namen, prachtige bijnamen. De openingsparagraaf van Kikkers gaat erover:

Meneer, het was voorheen een goed gebruik in onze regio om kinderen bij de geboorte de naam te geven van een lichaamsdeel of orgaan, zoals Neus Chen, Oog Zhao, Dikke Darm Wu of Schouder Sun.

Even verderop gaat het over Voet Bai en zijn zoon Lever Bai en dochter Galblaas Bai. In Het Rode Korenveld maken we kennis met De Stille, Fang Zes en Fang Zeven, Sun Vijf, Spleetoog, Blindoog, Oude Du, Kleine Yu, Hartstocht (het mooie dienstmeisje Lian’er), Schoonheid (Qian’er), Blaarnek. Het is de lezer meteen helder wie kwetsbaar en wie sterk is. Naast de personages zijn ook de gebeurtenissen in de werken van Mo-Yan soms behoorlijk wreed. Dat zijn de gebeurtenissen in de Chinese geschiedenis helaas ook maar al te zeer..

Het Rode Korenveld gaat over een streek in China waar het koren in de avond rood kleurt van de ondergaande zon. Verteller en hoofdpersoon Douguan neemt de lezer mee naar de jaren ’30, ten tijde van de Japanse bezetting van China. Het korenveld is in deze periode rood van het bloedvergieten. Het hele dorp wordt uitgemoord en ook de Japaners worden op beestachtige wijze afgeslacht.

Vader, Wang Guang (man, vijftien jaar, klein, mager, donker gezicht), Dezhi (man, veertig jaar, lang, dun, gele huidskleur, leepogen), Guo Yang (man, boven de veertig, kreupel, lopend op krukken), Blindoog (echte naam en leeftijd onbekend, nooit zonder zijn gehavende citer), vrouw Liu (boven de veertig, groot en dik, benen onder de zweren) – de zes overlevenden van het bloedbad, staarden wezenloos naar grootvader, met uitzondering van Blindoog natuurlijk. Ze stonden boven op de dorpsmuur, de ochtendzon pal in hun gezicht. Aan beide kanten van de muur lagen de lichamen van de moedige verdedigers, de bezeten aanvallers. In het modderige water van de gracht buiten de muur dreven de opgezwollen lijken van tien mannen en een paar Japanse strijdrossen. Witte rook dwarrelde de lucht in. De korenvelden rondom het dorp waren voor een deel platgetrapt en verwoest. Een doordringende stank van bloed en verbranding steeg op in de morgen. Rood en zwart waren de overheersende kleuren die ze zagen, verdriet en plechtige stilte de enige stemmingen waartoe ze in staat waren.

Verweven met de strijd die Douguan en zijn vader voeren is het verleden van zijn grootouders, Grootmoeder, en Yu Zhan’ao. Zo vertelt hij zijn eigen geschiedenis, die begint bij het ontstaan van het leven van zijn vader.

De meterslange linnen banden werden zo om de voet gewonden dat alleen de grote teen vrij bleef en zo hard aangetrokken dat de botten versplinterden en de teennagels in de voetzool groeiden. Het deed verschrikkelijk veel pijn. Ook mijn moeder had ingesnoederde voeten, en iedere keer dat ik ze zag, maakte me dat zo bedroefd dat ik me gedwongen voelde te roepen: ‘Weg met het feodalisme! Lang leve de bevrijde voeten!’ Het resultaat van het lijden dat mijn grootmoeder zich moest getroosten, waren twee acht centimeter lange gouden lotusknoppen, en in de loop van haar zestiende jaar bloeide ook de rest van haar lichaam uit tot een mooie, volle bloesem.

Wie Mo Yan leest wordt wijzer, door de vele rijke verhalen uit een lang verleden. Prachtige scenes over de uithuwelijking van Grootmoeder, aan een met lepra besmette zoon uit een rijke familie. Haar rit in de draagstoel naar het dorp van de schoonfamilie, waarbij Yu Zhan’ao, Grootvader, een van de dragers is. Detective, familie-epos, coming-of-age, heldenepos, oorlogsverhaal, het zit er allemaal in.

Rond de periode van de hem toegekende Nobelprijs voor Literatuur, in 2012, is Mo Yan regelmatig geinterviewd door de Nederlandse pers. Meer weten? https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/mo-yan-het-leven-is-politiek-het-is-erdoor-gebrandmerkt~b3a6636b/

Op dit moment lees ik de Knoflookliederen, zijn vijfde roman, gepubliseerd in 1995. Dit boek leverde Mo Yan een uitreisverbod op. Over dit boek schrijft Publishers Weekly:

Mo Yan verbindt gruwelijk realisme, schokkende fantasie, baldadigheid, bijtende satire, droombeelden, stille monologen en flashbacks aan de Culturele revolutie

Wat is er toch veel leed in de wereld. Dat was er, dat is er, en dat zal er altijd zijn. Maar als auteurs als Mo Yan blijvend worden gelezen, heeft het lijden van grote groepen anonieme wereldburgers gezichten en namen gekregen.

Gaomi, in het noordoosten;

waar ik geboren werd, waar ik opgroeide;

ondanks het vele leed,

draag ik mijn droevige liederen op aan jou.

(motto in De Knoflookliederen)

Categorieën
literatuur

Het leven met Herzog

Wat hou ik van het werk van Saul Bellow (1915-2005). Van alles wat ik tot nu toe van deze auteur las (niet alles staat op de foto) is de roman over Mozes Herzog (uit 1964) mijn favoriet. Dat is ook wel te zien aan de verfrommelde staat van mijn pocketexemplaar, beduimeld, vol ezelsoren en aantekeningen. ‘A well-nigh faultless novel’ jubelt de New Yorker op de achterflap. In de meeste boeken van Bellow is de hoofdpersoon een Joodse man van middelbare leeftijd. Mozes Herzog is dat ook.

Is he crazy? Or a genius?

Krankzinnig of geniaal? Herzog is een professor van 46 jaar in een midlife crisis. Hij schrijft brieven. In zijn hoofd en op papier. Aan zijn vrouw, maar ook aan zijn arts of wie dan ook uit zijn omgeving. De brieven worden nooit verstuurd. Door de tekst van de brieven (o.a) krijgt de lezer inzicht in Herzogs worstelingen, en wordt hij al gauw een dierbare, want menselijke, romanheld. Herkenbare emoties, twijfels, zorgen, onzekerheden en angsten onder woorden gebracht. De woorden die Herzog verborgen houdt voor de mensen om hem heen zijn bij de lezer wel bekend. Dat geeft een samenzweerderig gevoel. Je begrijpt hem. Zo sta je als lezer eigenlijk altijd aan de kant van Herzog: je beschouwt vanuit zijn perspectief.

Instead of answering, he wrote mentally, Dear Ramona – Very dear Ramona. I like you very much – dear to me, a true friend. It might even go farther. But why is it that I, a lecturer, can’t bear to be lectured? I think your wisdom gets me. Because you have the complete wisdom. Perhaps to excess. I do not like to refuse correction, I have a lot to be corrected about. Almost everything. And I know good luck when I see it.… This was the literal truth, every word of it. He did like Ramona.

Herzog zit in een mid-life crisis en weet niet goed welke kant het op moet. Laat staan met wie. Hij is al twee keer gescheiden. Zijn tweede vrouw, Madeleine, heeft hem bedrogen met en verlaten voor Gersbach, die lange tijd als vriend regelmatig bij Herzog over de vloer is geweest. Deze pijnlijk ingewikkelde situatie is aanleiding voor komische situaties en humorvolle reflectie. Zijn dochtertje June woont bij hen. Herzog worstelt met deze en vele andere situaties in zijn leven. Vooral heel erg met zichzelf..

The strength of Herzog’s constitution worked obstinately against his hypochondria. Early in June, when the general revival of life troubles many people, the new roses, even in the sthop windows, reminding them of their own failures, of sterility and death, Herzog went to have a medical checkup. He paid a visit to an elderly refugee, Dr Emmerich, on the West Side, facing Central Park.

De hoofdpersonen in het werk van Saul Bellow leven over het algemeen tamelijk geisoleerd temidden van de chaos van de moderne tijd. Ze hebben problemen op het gebied van liefde en relaties, geld en inkomen en allerhande verplichtingen die het moderne leven nou eenmaal voorschrijft. Een ritje met de metro kan genoeg onderwerp zijn voor Bellow om de lezer hardop te laten lachen. Maar evenzovaak voel je medelijden met degene die daar zo door het leven stuntelt. De chaos die de hoofdpersonen van Bellow beleven en hun onvermogen wezenlijk te functioneren of contact te leggen, hun eenzaamheid, raakt me in elke roman van deze auteur.

At last he embraced his daughter, and she pressed his cheeks with her small hands and kissed him. Hungry to feel her, tot breathe in the childish fragrance, to look in her face, her black eyes, touch her hair, the skin under her dress, he pressed her little bones, stammering, ‘Junie, sweetie. I’ve missed you.’ His happiness was painful. And she with all her innocence and childishness and with the pure, or amorous, instinct of tiny girls, kissed him on the lips, her careworn, busted, germ-carrying father

Saul Bellow (geboren als Solomon Belouz) won vele prijzen, waaronder de Nobelprijs voor de Literatuur in 1976 voor Humboldt’s Gift.

Categorieën
literatuur

Isaac Bashevis Singer

Van het grote oeuvre https://www.bashevissinger.com/books van de meesterlijke Isaac Bashevis Singer (1904-1991) heb ik maar enkele werken gelezen (w.o. het trio op de foto) maar ik hou me aanbevolen. Als je een auteur als Singer hebt gelezen valt wat je daarna ook oppakt als leesvoer meteen tegen. Zijn verhalen zijn rijk. Rijk aan humor, rijk aan empathie, getuigend van een onwaarschijnlijke fantasie en nergens het realisme schuwend. Zijn hoofdpersonen zijn zonderling en de verhalen die ze te vertellen hebben, de avonturen die ze hebben beleefd, de dromen en gedachten die ze hebben, zijn anders dan alles dat ik ken.

Kaddiesj ben Mazliach was geboren in het Heilige Land als zoon van een polygame Sefardische jood en diens jonge doofstomme vrouw, een tot het jodendom bekeerde Tartaarse, en hij had over de hele wereld gezwarven met zijn cameeen en toverspreuken

( uit De jood uit Babylon)

Dit verhaal uit de bundel De dood van Methusalem kun je echt niet meer wegleggen. Een vreemde wereld schetst Singer, een ongekende wereld. Met veel empathie voor de mens, het menszijn, het lijden, het niet mee kunnen komen in de wereld, de wereld die boosaardig is voor velen die lijden onder gewelddadige regiems van onderdrukking en onmenselijkheid. Als geen ander brengt Singer de gevolgen van de holocaust voor het overlevende individu in beeld. Wat is overleven, als je zoiets hebt meegemaakt. Dat is voor mensen als ik niet te vatten.

De hoofdpersonen in Vijanden (ondertitel: een liefdesroman) hebben de holocaust overleefd en worstelen zich door het leven dat daarna nog mogelijk is. Herman Broder is getrouwd met de boerin die hem jarenlang van een onderduikadres voorzag. Schuilen is een tweede natuur geworden, alsof het gevaar nog loert. Het is aangrijpend.

De nazi’s waren weer aan de macht en hadden New York bezet. Herman hield zich schuil in zijn eigen badkamer. Jadwiga had de deur laten dichtmetselen en schilderen zodat hij niet te onderscheiden viel van de rest van de muur. ‘Eens kijken waar ik zou kunnen zitten. De wc-pot is wel geschikt. Ik zou in de badkuip kunnen slapen. Nee, die is te klein.’ Herman bekeek de tegelvloer om te zien of er genoeg ruimte was om languit te liggen. Maar zelfs als hij dwars ging liggen, zou hij zijn knieen op moeten trekken. In ieder geval zou hij voldoende licht en frisse lucht hebben hier. Het badkamerraam kwam uit op een smalle binnenplaats. Herman begon uit te rekenen wat hij nodig had om in leven te blijven. Jadwiga moest hem iedere dag twee of drie aardappels brengen, een sneetje brood, een stukje kaas, een eetlepel plantaardige olie en zo nu en dan een vitaminepil.

Zijn echtgenote Tamara is bij zijn weten omgekomen in het kamp. Dan is er nog zijn maitresse Masja, die ook van alles heeft beleefd in de oorlog. Beschadigde mensen, die zich vastklampen aan elkaar.

Het zijn de overlevenden van het ondenkbare leed, de rest van hun leven blijven ze dat. De anderen zijn dood. Waarom leef ik nog? Waarom moesten zij sterven? Het leed is te groot om te dragen, en toch leven de mensen door. Singer maakt het bespreekbaar, en inzichtelijk.

Herman herinnerde zich ineens zijn besluit om een goede jood te worden, om terug te keren naar de Sjoelchan-aroeg en de Gemara. Hoe vaak had hij niet zulke besluiten genomen! Hoe vaak had hij niet geprobeerd om de wereldse zaken in hun gezicht te spuwen! Maar telkens weer was hij weggelokt. En nu was hij op weg naar een feestje. De helft van zijn volk was gemarteld en vermoord, en de andere helft gaf feestjes.

Isaac Bashevis Singer werd in 1904 in Polen geboren en emigreerde in 1935 naar Amerika. In 1978 werd hem de Nobelprijs voor de literatuur toegekend.

Een groot schrijver die veel te vertellen heeft en met zijn werk ogen opent die anders gesloten zouden blijven. Het zou mooi zijn als mensen hem zouden blijven lezen.

Op de vraag wanneer hij is gaan schrijven antwoordt Singer: ‘Toen ik werd geboren vroeg mijn moeder aan de vroedvrouw, is het een jongen of een meisje? Geen van beide, zei zij, het is een schrijver.’

Rijke verhalen vol humor, altijd, voor mij is Singers werk een bijzonder groot en verrijkend genot.

Meer weten (naast het lezen van al zijn nog volop beschikbare werk)?https://www.youtube.com/watch?v=YPDowgxqqjA

Categorieën
literatuur

Gloed

Na de focus op de Oostenrijkse Roth blijft de Literatuurder graag nog even hangen in dat deel van Europa en wel met Sándor Márai (1900-1989). Deze Hongaarse (Oostenrijks Hongarije) auteur heeft veel indruk op mij gemaakt met zijn wonderschone werk Gloed (verschenen 1942 en een van de titels van de literaire canon van de 20e eeuw).

Eens per maand fiets ik de minibiebjes in de omgeving langs om mijn overschot aan boeken kwijt te raken, ik verdeel het eerlijk. Telkens kom ik weer nieuwe biebjes tegen en neem ik nieuwsgierig kennis van de inhoud. Ik lever meer dan dat ik afneem, maar het gloednieuwe exemplaar van Gloed (het zat nog net niet in kadoverpakking) heb ik meegegrist. Ik had er wel van gehoord maar het nog nooit gelezen, een trofee! Lezen, herlezen en voor altijd bewaren dit kleinood: 156 pagina’s pure taalkunst.

De thema’s van Gloed zijn o.a. vriendschap, verlies en verraad. . Het verhaal begint met Henrik die in het kasteel waar hij woont, is geboren en zijn jeugd heeft doorgebracht wacht op de komst van zijn vriend. Konrád en Henrik hebben elkaar 41 jaar niet gezien of gesproken. De jongens hebben elkaar ontmoet in een militair opleidingsinstituut, op tienjarige leeftijd.

Op de slaapzalen sliepen ze met z’n dertigen, in elke zaal dertig kinderen van dezelfde leeftijd, in smalle ijzeren bedden, als de keizer. Boven de ingang hing een kruis, met gewijde takken. ’s Nachts brandde er blauw licht in de lampen. ’s Morgens werden ze gewekt met hoorngeschal; ’s winters bevroor soms het waswater in de metalen bakken. (…)

Konrád sliep in het bed naast hem. Ze waren tien jaar oud toen ze elkaar leerden kennen.

De vriendschap tussen deze twee is intens, zij zijn als broers. Henriks wijze min Nini voorziet het noodlot

‘Het is te veel,’ zei Nini tegen zijn moeder. ‘Op een dag zal hij bij hem weggaan. Dan zal hij zwaar lijden.’ ‘Dat is de taak van de mens,’ zei de moeder en ze zat voor haar spiegel te staren naar haar verwelkende schoonheid. ‘Op een dag moeten wij degene verliezen van wie we houden. Wie dat niet verdraagt, moet maar bezwijken, want hij is geen heel mens.

Desalniettemin wordt het bevriende stel door de ouders serieus genomen en de vriendschap als onvermijdelijk erkend, ondanks het verschil in afkomst. De vriend van zijn zoon is zijn vriend, aldus Henriks vader. Konrád wordt welkom geheten en mag zich thuis voelen op het kasteel van de familie van zijn vriend.

Niets is zo zeldzaam tussen jongemannen als een aantrekking die onbaatzuchtig is en hulp noch opoffering van de ander wil. De jeugd hoopt altijd op een offer van degene op wie zij haar hoop overdraagt. De twee jongens voelden dat ze leefden in een naamloze, wonderlijke toestand van gratie. Niet is zo teder als deze relatie.

De lezer weet vanaf het begin van het boek dat er iets is misgegaan tussen de twee. Immers, ze hebben elkaar vele jaren niet gezien of gesproken. In het kasteel dat hij nooit heeft verlaten wacht Henrik op Konrád, die in een brief zijn komst heeft aangekondigd. Het is het moment waar de oude Henrik al die jaren op heeft gewacht. Eindelijk kan hij antwoord krijgen op zijn vragen.

De vriendschap tussen twee jongens van een zo verschillende afkomst en uit een heel ander milieu, het lijkt gedoemd om te mislukken. De rijke Henrik krijgt alles op een presenteerblaadje aangedragen. Hij hoeft niets zelf te doen of te bedenken, hij leeft een rijk leven en kent niets anders. Daar kan hij niets aan doen. Konrád heeft een hele andere achtergrond. Hij komt uit een wereld die Henrik zich niet eens kan verbeelden. Konrád neemt zijn vriend eenmaal mee naar zijn ouders waar ze in een hotel overnachten omdat het huis te klein is. Een heel verschil met een kasteel.

‘Nu heb je hen gezien,’ zei Konrád. ‘Ja,’ zei de zoon van de gardist. ‘Dan weet je het’, sprak de ander zacht en ernstig. ‘Verbeeld je wat hier voor mij gebeurt, al tweeentwintig jaar.’ (…..)

Als ik nieuw paardentuig moet hebben, eten zij drie maanden lang geen vlees. Als ik een fooi geef op een soirée, rookt mij vader een week lang geen sigeraren. En dat gaat al tweeëntwintig jaar zo. En alles was er altijd. Ergens ver weg, in Polen, vlak bij de Russische grens, is een landhuis. Ik heb het nooit gezien. Het was van mijn moeder. Van dit landhuis kwam alles: het uniform, het schoolgeld, het geld voor de theaterkaartjes, het boeket dat ik jouw moeder stuurde toen ze op doorreis was, de examengelden, de kosten van het duel toen ik moest vechten met die Beier. Al tweeëntwintig jaar, alles. Eerst verkochten ze de meubels, daarna de tuin, het land, het huis. Daarna hun gezondheid, hun comfort, hun rust, hun oude dag, de maatschappelijke ambities van mijn moeder, om een kamer meer te hebben in deze armzalige rotstad en in die kamer fatsoenlijke meubelen te hebben staan en af en toe gasten te kunnen ontvangen. Begrijp je?’

Henrik zegt het te begrijpen, maar is dat zo? Hoe zou Henrik dat kunnen begrijpen? Het is totaal onbekend voor hem. Net zoals Konráds liefde voor muziek, dat hem bindt met de moeder van Henrik. Het is geen kwaadwil van hem, hij kijkt niet op zijn vriend neer, integendeel. Hij bewondert hem. Maar hij kan het niet invoelen, hij weet simpelweg niet wat het is om offers te moeten brengen.

Met de komst van de liefde, van Krisztina, in het leven van de beide mannen wordt het lot bepaald. Ze trouwt met Henrik, maar had hij haar hart werkelijk? En wat zijn de twee vragen die Henrik zijn vriend nu eindelijk kan stellen? Lees Gloed !

Sándor Márai heeft de erkenning van dit meesterwerk niet beleefd. Hij overleed door suicide in 1989, na het overlijden van zijn vrouw en zoon. Gloed werd in 1990 opnieuw uitgebracht in het Hongaars en een aantal jaren later pas een groot succes.

De Nederlandse theatervoorstelling Gloed, met Eric Schneider in de hoofdrol en geregisseerd door Ursul de Geer, was in 2010 zeer succesvol.

Categorieën
literatuur

Radetzkymars en Rebellie

De Literatuurder worstelt weleens met de taal van de te lezen roman uit de wereldliteratuur. Is deze klassieker Amerikaans of Engels, dan kan ik die gelukkig in de oorspronkelijke taal lezen. Soms mis ik dan, ook al beheers ik de Engelse taal best goed, nuances of verwijzingen. Daarom lees ik een boek wat mijn interesse echt heeft gevangen vaak ook in het Nederlands. Of ik lees afwisselend in beide talen. Maar is het werk Duits, Russisch, Frans of noem maar op, dan ben ik op de vertaling aangewezen.

Mijn bewondering voor het knappe werk van de literaire vertaler is dan ook heel groot, wat een prestaties! Regelmatig wordt goed leesbaar vertaald werk herzien of hertaald. Ik hang dan vaak aan ‘mijn’ exemplaar, zoals bij Radetzkymars, van Joseph Roth (1894-1939).

Het werk van Joseph Roth is oorspronkelijk in het Duits geschreven. Ik koester mijn exemplaar van de Radetskymars (uit 1932) dat is vertaald door W. Wielek-Berg. Ik vind deze versie ontzettend goed, maar ik zal de meest recente hertaling binnenkort eens lezen en vergelijken. Wie meer wil weten over het boek of over de hertaling, een helder en mooi artikel daarover staat op de site van Tzum

Categorieën
literatuur

Altijd dit leege hart

Op 1 november komt steevast het gedicht November van J.C. Bloem even aan me voorbij

Ook tijdens mijn opleiding kon ik niet veel anders dan gedichten vrij interpreteren, omdat er geen spat analyticus in mij huist. Ik voel iets en ik denk iets, daar moet ik het mee doen. En dit blog dus ook.

Categorieën
literatuur

De schitterende Ocean Vuong

Heb ik ooit weleens iets gelezen als ‘On earth we’re briefly gorgeous’ van de jonge Vietnamees Amerikaanse schrijver Ocean Vuong (1988)? Na ruim 40 jaar literatuur lezen moet ik zeggen: nee. Nooit. Dit is zo origineel. En bovendien wonderschoon, al vertelt het een ‘lelijk’ verhaal over de zelfkant van de immigrant in Amerika, verboden homosexualiteit en opgroeien met getraumatiseerde ouders.

Ik vond de Nederlandstalige versie (Op aarde schitteren we even) in de bieb zonder iets te weten van de auteur of deze roman. In een adem uitgelezen en meteen aangeschaft in het Engels (ik lees altijd graag ook de orginele versie, als het Engelstalige literatuur betreft) en wat prachtig weer. Dikke vette pluim voor de vertaler is op z’n plaats, want wat een prestatie is het om dit orginele schrijven te vangen en alle hartverscheurendheid, magie, ontroering en al het leed van ‘Hondje’ (Little Dog) zoals de hoofdpersoon wordt genoemd, te behouden voor de lezer.

Ik heb en had vele namen. Hondje was de naam die Lan me gaf. Wat bezielde een vrouw die zichzelf en haar dochter naar bloemen vernoemde om haar kleinzoon een hond te noemen? Zoals je weet wordt in het dorp waar Lan is opgegroeid een kind, vaak het kleinste of zwakste van de kudde, zoals ik, vernoemd naar het verachtelijkste dingen: demon, spookkind, varkenssnuit, apengebroed, buffelkop, bastaard – hondje was nog een van de meer tedere namen. Want de boze geesten die door het land waarden op zoek naar gezonde, mooie kinderen, hoorden dan de naam van iets afzichtelijks en gruwelijks geroepen worden om binnen te komen voor het eten, en sloegen het huis over en spaarden het kind.

Ocean Vuong was de eerste in zijn familie die leerde lezen, en dat gebeurde pas toen hij elf jaar was. Dat zijn familie niet kon lezen betekent niet dat hij niet opgroeide met verhalen, integendeel. Voor klusje die hij voor zijn grootmoeder Lan doet wordt hij ‘betaald’ met verhalen. Zijn jeugdvrienden zijn veelal ten onder gegaan aan de drugs en het geweld dat hun jonge jaren overheerste. Maar Vuong ontsnapte, door zijn groot literair talent dat een bijzonder coming of age verhaal te vertellen heeft. In de realiteit, en in het boek. Na een jaar in een vluchtelingenkamp op de Filipijnen te hebben doorgebracht, emigreerde Vuong in 1990 naar Amerika. Vuong was de eerste binnen zijn familie die leerde lezen. Hij studeerde Engelse literatuur aan het Brooklyn College.

Schrijven over deze auteur kan nooit zo illustratief zijn als kennis maken met hem op beeld en hem zelf horen praten. Gelukkig is Ocean Vuong naast een begenadigd schrijver ook een heel prettige spreker

Op het Berlijnse internationale literatuurfestival in 2019 sprak Vuong

Een aandoenlijke en aansprekende persoonlijkheid, zo bescheiden en wijs. Het werk van Ocean Vuong is de moeite waard, nee… moet gelezen worden!

Categorieën
bedenking literatuur

Het Bureau van Voskuil

Eerst alle delen verzamelen en dan in een keer achter elkaar lezen, zo dacht de Literatuurder over de omvangrijke reeks ‘Het Bureau’ van J. J. Voskuil (1926-2008). Toen alle delen eenmaal op mijn boekenplank stonden leek de missie volbracht, maar toen begon het natuurlijk pas: heel veel lezen! Dat volhouden bleek geen enkel probleem. Want hoe weinig intrigerend het misschien ook klinkt, een romanserie over ‘een kantoor’, het heeft me geen moment verveeld en aan het eind van een deel verheugde ik me steevast alweer enorm op het volgende..